Blog

Georganiseerd ongemak: Blog over 'georganiseerd ongemak in de openbare ruimte'

Berry den Brinker gaat in op ongemakken die blinden en slechtzienden dagelijks tegenkomen in de openbare ruimte. En hoe je dit zou kunnen voorkomen.

"Onze docenten vinden ‘hoogteaccenten’ in een ontwerp visueel aantrekkelijk. Daardoor pas je gemakkelijk hoogteverschillen toe in je ontwerp van een open ruimte, al was het maar voor een beter cijfer", aldus de studenten bouwkunde van de TU Eindhoven die mij dit voorjaar hadden uitgenodigd voor een bijdrage aan hun workshop over ‘visueel toegankelijk ontwerpen’. Hoogte-accenten waren trouwens ruimschoots aanwezig op het terrein rond het net gerenoveerde hoofdgebouw MetaForum van de TU Eindhoven. Het campusterrein heeft talloze op- en afstapjes en een trap die alleen voor hardlopers een comfortabele maatvoering heeft. Bovendien is niet altijd duidelijk waar je nu wel of niet kan fietsen en één van de organisatoren vertelde dat hij zo eens in het donker onverwacht een trap affietste.

 

Tijdens de workshop liepen de studenten met simulatiebrillen of geblinddoekt buiten op de campus en binnen in het MetaForum om zo op nieuwe ontwerpideeën te komen.Het was voor de studenten een spannende beleving om met weinig of geen zicht de weg te vinden. Zij verbaasden zich erover hoe moeilijk het soms was, en nog meer hoe gemakkelijk het geweest zou zijn om de problemen in de ontwerpfase aan te pakken. Ze hoorden voor het eerst dat er voor kritische situaties in de gebouwde omgeving een internationale standaard bestaat – NEN-ISO 21542[1] - en hadden  nooit van ‘Universal Design’ gehoord.

 

Volgens de beginselen van Universal Design moeten ontwerpen geschikt zijn voor iedereen in al zijn diversiteit, inclusief ouderen en mensen met een beperking. Nieuw voor hen was ook dat de Internationale Unie van Architecten een werkgroep ‘Design for All’ kent. Tijdens mijn voordracht maakten ze voor het eerst ook kennis met het Nederlandse handboek voor de visuele toegankelijkheid en bruikbaarheid van de gebouwde omgeving: Zicht op Ruimte. 

 

Zelf werd ik weer eens met de neus op het feit gedrukt dat het bijna onbegonnen werk lijkt om architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten ertoe te bewegen meer ‘fysiek toegankelijk’ te ontwerpen. Immers, als student bouwkunde word je beloond voor de esthetische kwaliteiten van je ontwerp zonder je te hoeven bekommeren om de consequenties voor mensen die tijdelijk of permanent minder goed zien of slecht ter been zijn. Het helpt ook niet als je eigen campus bezaaid is met op- en afstapjes die meteen na de oplevering moesten worden voorzien van reflectoren om valpartijen te voorkomen. Reflectoren passen niet in de ontwerpstijl van de architect en zo leren studenten dat aanpassingen voor mensen met een beperking lelijk zijn. Het helpt evenmin, dat de architect Ector Hoogstad een prijs gekregen heeft voor het ontwerp van het MetaForum waarin schuine kolommen in looproutes staan.Dat schuine kolommen in de looproute tot hoofdletsel kunnen leiden, moet je leren in de opleiding. Nu verspreiden schuine kolommen zich als een plaag door Nederland met het Centraal Station van Utrecht als een markant voorbeeld.

 

Als je in de geest van ‘Universal Design’ was opgeleid, zou je voorzieningen bedacht hebben om zulke ongevallen te voorkomen. Immers, Universal Design is erop gericht dat zoveel mogelijk mensen kunnen profiteren van een ontwerp, inclusief ouderen en mensen met een beperking. Zoals het onderwijs nu georganiseerd is, houdt het de vooroordelen in stand: Universal Design zou duur zijn, lelijke ontwerpen opleveren en voor weinig mensen bruikbaar zijn. Kortom, veel problemen die mensen met en zonder beperkingen ervaren in de gebouwde omgeving, zijn structureel: het is een kwestie van georganiseerd ongemak, gestoeld op tekortkomingen in het onderwijs. 
 
 
Met de ratificatie van het VN-verdrag gaat de Nederlandse overheid de verplichting aan, zorg te dragen voor de toegankelijkheid van de openbare ruimte en gebouwen. Bartiméus vroeg genodigden tijdens een Inspiratiemiddag Toegankelijkheid om mee te denken over initiatieven die de toegankelijkheid daadwerkelijk kunnen verbeteren en loofde stimuleringsprijzen uit voor het uitvoeren van de meest concrete en aansprekende ideeën. De jury bekroonde in de categorie ‘Openbare ruimte’ het voorstel ‘Georganiseerd Ongemak’ dat ik samen met de directeur van het Oogfonds presenteerde. Het voorstel behelst de organisatie van een rondetafelconferentie voor toparchitecten, topontwerpers en belangrijke opdrachtgevers die hen moet inspireren tot het meer bewust kiezen voor toegankelijke gebouwen en ruimtelijke omgevingen. De rondetafelconferentie moet tevens leiden tot het ontwikkelen van verplichte modules toegankelijk ontwerpen voor het professioneel bouwonderwijs. Het project gaat dit najaar van start. 


Integraal ontwerpen

Voor het verbeteren van het bouwkundeonderwijs is het goed de dagelijkse praktijk van het ontwerpproces te kennen. Het ontwerpproces is niet eenvoudig.
Bij het ontwerp van stedenbouwkundige projecten liggen bouwkundigen vaak overhoop met verkeerskundigen. Bouwkundigen hebben het vaak over aantrekkelijkheid en esthetiek, verkeerskundigen over bereikbaarheid en veiligheid. Bereikbaarheid wordt al gauw geassocieerd met zwart asfalt met witte lijnen en aantrekkelijkheid met klinkers, keitjes en afstapjes. Als verkeerskundigen vinden dat er kantmarkering nodig is, roepen stedenbouwkundigen dat kantmarkering lelijk is, de beeldkwaliteit schaadt en bezoekers afschrikt. Een witte lijn is voor de één een oplossing en voor de ander een schriklijn: een esthetisch probleem.
 
Toch zijn er hoopvolle signalen uit de praktijk dat het beter kan. In gemeenten als Rotterdam en Utrecht blijken bouwkundigen en verkeerskundigen tegenwoordig wèl te kunnen samenwerken. Dat doen zij volgens de beginselen van het ‘integraal ontwerpen’ – ook wel ‘functional ambiance design’ genoemd -, een methode die ontwikkeld is aan de Hogeschool van Rotterdam in samenwerking met de genoemde gemeenten, De Urbanisten en Goudappel-Coffeng. Deze werkwijze is beschreven in het boek ‘Infratecture’.

 

Het accent bij integraal ontwerpen ligt op het in evenwicht brengen van voorzieningen die maken dat een stad bereikbaar is en tegelijk aantrekkelijk. Om dat te benadrukken noemen de aanhangers van deze ontwerpstijl zich ‘infratecten’. Als metafoor gebruiken infratecten de stadsstraat waar aantrekkelijkheid en bereikbaarheid bij elkaar komen en zo de ruggengraat vormen van een leefbare stad. Bij het integraal ontwerpen van stadsstraten werken de betrokken partijen op voet van gelijkwaardigheid samen gedurende het gehele ontwerpproces. Om spraakverwarring tussen de verschillende disciplines te voorkomen is een gemeenschappelijk nieuw jargon ontwikkeld met acht kernbegrippen die door alle partijen gebruikt worden gedurende het gehele ontwerpproces. Daarnaast zijn er vijf ontwerpregels geformuleerd die leidinggevend moeten zijn voor het zoeken naar oplossingen. 

 

Een compleet andere inrichting van een stadsstraat is die van de Haarlemmerstraat in Amsterdam. De herinrichting van deze straat fungeert als één van de tien schoolvoorbeelden van integraal ontwerpen. De zichtbaarheid van de drukke fietsroutes is optimaal en de verdere inrichting zorgt ervoor dat het een aantrekkelijk winkelgebied geworden is, ondanks de smalle trottoirs en het drukke fietsverkeer. De Haarlemmerstraat heeft zelfs het predicaat van de meest populaire winkelstraat in Nederland.



Dit artikel komt uit Straatbeeld

Deel dit artikel