Artikel

'Ik wil ieder kind de gelegenheid geven buiten te spelen'

Dave Ensberg-Kleijkers (35) is op 18 februari begonnen als directeur-bestuurder van Jantje Beton en de NUSO Landelijke organisatie voor speeltuinwerk en jeugdrecreatie. In zijn functie wil hij graag de combinatie gaan maken tussen formeel en informeel leren en de relevantie van Jantje Beton voor deze tijd aantonen. Met als resultaat gelukkigere kinderen, collega’s en vrijwilligers.

Waarom bent u naar Jantje Beton gegaan? Wat trok u aan in de functie? 

“De eerste reden is heel persoonlijk. Ik heb in mijn jeugd genoten van buiten spelen. Ik heb een jeugd gehad met veel tegenslag: een combinatie van armoede, een moeder met lichamelijke beperkingen, spanningen in huis en huiselijk geweld. Die situatie van negativiteit kon ik ontvluchten door af en toe lekker buiten te spelen. Ik weet niet of er een causaal verband is, maar ik merkte ook dat ik op de basisschool het gelukkigst was en het beste presteerde toen ik in een buurt woonde waar veel groen was. Daarom is het ook mijn persoonlijke drijfveer om andere kinderen de gelegenheid te geven om ondanks tegenslag buiten te blijven spelen en zich gelukkig te voelen en om zich tegelijkertijd te blijven ontwikkelen – cognitief, sociaal-emotioneelen sensomotorisch – tot een mooier en gelukkiger mens. 


Daar komt nog iets bij. Ik was 3,5 jaar voorzitter van het college van bestuur van de Stichting
Biezonderwijs in Tilburg, die speciaal basisonderwijs (SBO), speciaal onderwijs (SO), voortgezet speciaal onderwijs (VSO) en praktijkonderwijs aanbiedt in Tilburg. Daar merkte ik dat onze generatie dertigers – ik ben zelf 35 jaar – kiest voor waardegedreven leiderschap en dat ook persoonlijk maakt. Je bent een leider en wilt in die hoedanigheid de mensheid dienen en verder ontwikkelen. Zo’n leider verbindt, inspireert en stelt vooral mensen in staat iets te doen waarvan ze zelf niet dachten dat ze het konden. Zo’n leider heeft ook het vermogen om over grenzen heen te denken, om het grotere maatschappelijke plaatje te zien en om de organisatie terug te brengen naar de basis die ooit de grondslag was voor de oprichting. 


Een tweede reden is dat ik in mijn vorige functie vooral aan de ontwikkeling van een kind
werkte met formeel leren: binnen onderwijstijd, onderwijsmuren en onderwijsconcepten. Als je echter holistisch naar een kind kijkt, zie je dat de vrije tijd, de tijd naast de school – buiten en thuis – minstens zo belangrijk is voor de ontwikkeling. Ik vind het waanzinnig interessant om formeel en informeel leren te combineren en om ook dat informeel leren meer opbrengstgericht te maken. Waarbij je enerzijds het vrije, avontuurlijke en informele karakter behoudt en het anderzijds meer laat renderen. Zodat kinderen er avontuurlijker en creatiever door worden, meer zelfvertrouwen en meer liefde voor de natuur krijgen en zich ook cognitief, sociaal-emotioneel en sensomotorisch verder ontwikkelen. De uitdaging is ook de schaal: in mijn vorige functie had ik regionaal impact, nu nationaal. Toen kon ik ongeveer 1.900 kinderen bereiken, nu meer dan een miljoen. 


Een derde reden is dat Jantje Beton in mijn vorige functie voor mij vooral een instituut uit het verleden was. Ik had niet de associatie gemaakt hoe het als instelling ook voor de toekomst relevant kan zijn en kan inspelen op de behoeften van de 21ste eeuw. Daarbij is Jantje Beton een ingewikkelde puzzel, want we doen verschillende dingen voor verschillende kinderen op verschillende manieren en toch met een logische samenhang. Jantje Beton opnieuw op de kaart zetten, vormt daarmee een mooie uitdaging.
 


Daarnaast is er nog een dimensie. Jantje Beton is formeel een verbonden partij met de NUSO, de branchevereniging van 52
2 speeltuinen in Nederland. Aan die speeltuinen zijn ongeveer 11.000 vrijwilligers verbonden. Die speeltuinen zitten in de haarvaten van de samenleving. Mijn uitdaging is om te kijken hoe je als NUSO meerwaarde en ondersteuning voor de speeltuinenvereniging kunt bieden, zodat de vereniging effectiever is in het uitdagen van kinderen om te spelen. Ook wil ik kijken hoe de verenigingen verbinding kunnen maken met gemeenten en andere partners op lokaal niveau. Die verenigingen hebben duidelijke behoeften: voldoende structurele inkomsten, voldoende vrijwilligers en relevante activiteiten waar kinderen en ouders op af komen. Natuurlijk wil ik ook kijken hoe ik daarbij de verbinding kan leggen tussen NUSO en Jantje Beton.” 


Wat zijn je observaties tot nu toe? Wat trof je aan?
 

Warme zakelijkheid. Ik trof een organisatie met lieve mensen, die zorgzaam zijn richting kinderen maar ook richting elkaar. En met collegas die deskundig zijn op terreinen als buiten spelen, kinderparticipatie, fondsenwerving en communicatie. Ik werd warm ontvangen en voel die warmte nog steeds.  

Ik trof ook een organisatie aan die behoefte heeft aan keuzes: is Jantje Beton er voor alle kinderen of alleen voor kinderen in kwetsbare posities? Richten we ons net als voorheen op kinderen in de basisschoolleeftijd (4-12) of ook op jongere kinderen en op het voortgezet onderwijs? Is onze primaire doelgroep kinderen of het netwerk rondom kinderen: scholen, ouders, vriendjes/vriendinnetjes, maatschappelijke organisaties, sportvereniging, scouting. Anders gezegd: zijn we er direct of indirect voor kinderen? Momenteel kiezen we voor een tweedelijnspositie en richten we ons op het netwerk: we voeren projecten uit waar kinderen van profiteren. 


Een mooi voorbeeld is de Buitenlesdag, die we dit jaar op 2 april voor de vierde maal organiseerden
samen met onze partner IVN en waar een op de drie basisscholen – 2697 scholen en 340.000 kinderen – aan meededen. De kinderen bereikten we via het onderwijs. Wij hebben daarvoor een onderwijsbundel samengesteld met leuke lesmethodes. 


Een ander voorbeeld is het project Hier spelen
wij!, dat we doen met verschillende partijen op het gebied van kunst en cultuur, maar ook sport en beweging. Wij laten hen workshops voor kinderen in asielzoekerscentra organiseren, waarbij Jantje Beton voor de financiering zorgt. Kinderen krijgen tijdens hun schoolvakantie een écht vakantiegevoel, omdat de workshops in het teken staan van plezier maken en empowerment. Bij een ander project, De Speelkaravaan, richten we ons op kinderen in de armste buurten van Nederland. Wij organiseren met en voor hen speelactiviteiten die erop gericht zijn kinderen blijvend aan het spelen te krijgen. Hiermee zorgen we voor structureel empowerment van het netwerk rond kinderen. Zo hebben we meer langetermijneffect dan wanneer we ons enkel concentreren op een kortstondige geluksbeleving tijdens de activiteit zelf.” 


Wat zijn je ambities? Waar wil je je in het bijzonder op richten?
 

“Ik wil als Jantje Beton graag vraaggericht werken en inspelen op vragen uit de samenleving in plaats van zelf een aanbod neer te leggen en vervolgens kinderen te laten kiezen. Want daarmee kunnen we steeds opnieuw onze maatschappelijke relevantie aantonen en een partij zijn die andere partijen met elkaar verbindt. En ervoor zorgen dat projecten worden uitgevoerd. 

Die relevantie zit zowel in ruimtelijke ordening – zorgen dat er voldoende fysieke plekken zijn – als in de sociale vraagstukken eromheen: je moet als kind de sociale vaardigheden hebben om buiten te spelen. 

Ik maak nu een zogenaamde 100-dagenanalyse. Vervolgens wil ik die samen met collega’s verwerken in een nieuw meerjarenbeleidsplan.” 


Hoe staat buiten spelen er momenteel voor als je kijkt naar al die aspecten?
 

“Het beeld is niet florissant. Uit onderzoek dat Jantje Beton door Kantar Public heeft laten uitvoeren komt naar voren dat kinderen in vergelijking met een aantal jaren geleden minder buiten spelen en meer gamen en andere schermactiviteiten ontplooien. Tegelijkertijd zien we ook dat de gezondheidsproblemen bij kinderen zich opstapelen in termen van obesitas en andere welvaartsziektes. De grootste problemen constateren we bij kinderen met de minste welvaart. Beweging en voeding zijn daarmee cruciale factoren voor de ontwikkeling van kinderen in de toekomst. Onze relevantie is daarmee groter dan ooit. 


Ooit begonnen we in 1968 toen Nederland verstedelijkte. Nederland werd een groot betondorp en Jantje Beton zette
daar tegenover
dat kinderen buiten moesten kunnen blijven spelen en dat er daarvoor voorzieningen, waaronder speelruimte en speelvakanties,moesten zijn. Sindsdien is er gelukkig een positieve ontwikkeling: gemeenten houden bij de fysieke inrichting van hun stad veel meer rekening met het feit dat kinderen buiten moeten kunnen spelen.Bovendien verwacht ik positieve effecten van het Klimaatakkoord en de verduurzaming: een betere balans tussen economie en ecologie en tussen groen en grijs. Kinderen gaan daarvan profiteren: een gezondere luchtkwaliteit en het feit dat we mensen meer gaan zien als onderdeel van de natuur. 


De uitdagingen van nu zijn daarom: 
 

  • Zorgen dat kinderen voldoende buiten spelen terwijl ze dat nu niet doen. 

  • Zorgen dat kinderen naast gamen alternatieven zienzoals buiten spelen.  

  • Zorgen dat kinderen een fysieke plek hebben om buiten te spelen. 

Ik noem dat laatste omdat ondanks de eerdergenoemde positieve trend er nog steeds onvoldoende plekken in de natuur en onvoldoende uitdagende speelplekken zijn. 


Ik zie ook een belemmerende factor bij het buiten spelen: de overbezorgde ouder, die alle vormen van onveiligheid wil weren voordat een kind
buiten kan spelen. Waardoor een omgeving ontstaat die zo steriel en risicoloos is dat een deel van de uitdaging van buiten spelen verdwijnt. Terwijl je als kind een paar keer moet vallen om te leren opstaan. Buiten spelen moet op enig moment avontuurlijk, zonder ouderlijk toezicht en een beetje stout zijn. Juist door stout te zijn en bepaalde grenzen over te gaan, ontwikkel je bepaalde hersengebieden die je anders niet zou ontwikkelen. Van stout en avontuurlijk spelen worden kinderen alleen maar creatiever. 


In de halve eeuw sinds de oprichting is ook de samenstelling van onze samenleving veranderd: we hebben nu een multiculturele samenleving waarbij de ene ouder vanuit cultureel perspectief heel anders omgaat met buiten spelen dan de ander. Ik zie het ook als uitdaging voor Jantje Beton om te weten wat de gewoonten zijn van ouders met een migratieachtergrond: op welke manier sporen zij
hun kinderen aan om buiten te spelen? En om te kijken hoe we als fonds voor hen relevant kunnen zijn. Ook daar zit een persoonlijk element: ik ben zelf van Surinaamse afkomst en in Nederland opgegroeid, ik zag dat mijn ouders een andere opvoedstijl hadden dan de ouders van mijn vriendjes.” 


Het fysieke en sociale domein schuiven beleidsmatig in elkaar. Is dat integraal jeugdbeleid positief voor buiten spelen? Of zijn er ook gevaren?
 

“Zoals ik al eerder zei heb ik hiervoor gewerkt in het speciaal onderwijs, met de vijf tot tien procent van de kinderen waar het niet goed mee gaat: lichamelijke beperking, verstandelijke beperking, ernstige gedragsproblemen, psychiatrische stoornis of met een langdurige ziekte. Ik zie dat gemeenten zich – met name sinds de decentralisatie van de Jeugdzorg – steeds meer zijn gaan richten op die vijf procent. Met een accent op curatie: het helpen of zelfs ‘beter maken’ van kinderen met problemen. Die andere 95 procent van de kinderen hebben echter ook behoefte aan ondersteuning: integraal en positief jeugdbeleid dat hen voldoende uitdaagt. Ik constateer dat er een disbalans is ontstaan tussen zorg- c.q. probleemgestuurd beleid en positief jeugdbeleid. Terwijl dat laatste juist een preventief effect heeft. Je voorkomt een deel van de problemen. Er blijft natuurlijk wel biologische en sociale problematiek over die niet te voorkomen is.


Mijn pleidooi is daarom dat we ook blijven kijken naar wat er wel goed gaat en zorgen dat dat zo blijft. Want we kunnen als overheid niet meer als vanzelfsprekendheid aannemen dat positief jeugdbeleid als vanzelf uit de samenleving ontstaat.
De overheid kan daarbij wel een initiërende en verbindende rol spelen: door een moreel appèl te doen op de samenleving, door vrijwilligers te waarderen en door erop te wijzen dat vrijwilligerswerk niet alleen andermans leven verrijkt maar ook je eigen leven. Kinderen moeten op jonge leeftijd daar al mee leren werken. Ik ben daarom voorstander van maatschappelijke stages en maatschappelijke dienstplicht. 


Een van de mooiste projecten van Jantje Beton is voor mij ‘Aan de slag in de speeltuin’, waarbij leerlingen uit het voortgezet speciaal onderwijs leren vrijwilligerswerk te doen in een speeltuin. Zo zorg je ervoor dat kinderen uit een exclusief deel van de samenleving die eerst gesegregeerd zijn nu weer worden
geïncludeerd in de samenleving en dat ze leren hoe waardevol vrijwilligerswerk is.  


Zelf
wil ik vanuit mijn functie verbinding zoeken met partijen die zich voor alle kinderen inzetten – en dus niet alleen voor die vijf procent – zoals de scouting. Maar ook met de wetenschap om zo te weten welke onderdelen van positief jeugdbeleid daadwerkelijk waarde opleveren en een positieve impact op samenleving hebben. 


Inclusief spelen is een belangrijk actueel thema. Ondersteunen jullie dit?
 

“We willen graag steeds meer speeltuinen inclusief maken. Dat doen we samen met de Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind en de Speeltuinbende. Omdat we vinden dat ieder kind de mogelijkheid moet hebben om zichzelf te zijn en om gelijkwaardig met andere kinderen te spelen. Dat gaat overigens verder dan een fysieke beperking. Zo zijn we ook in gesprek met Gay Pride Nederland om onderdeel te worden van de YouthPride commissie zodat kinderen met een andere seksuele voorkeur dan de heteroseksuele ook en onvoorwaardelijk zichzelf kunnen zijn waar ze ook spelen.” 


Wat zijn de resultaten die je bereikt wil hebben in je periode als directeu
r-bestuurder van Jantje Beton en NUSO? 

Als bestuurder wil ik ervoor zorgen dat er een strategie ligt en een plan dat is uitgevoerd. Met als uitkomst continuïteit op lange termijn, het maken van financieel verantwoorde keuzes en een slimme, duurzame en effectieve samenwerking met andere partijen zoals IVN, Right to Play, de Johan Cruyff Foundation, de Krajicek Foundation, ScoutingNederland, de Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind en vele anderen. Maar ook bijvoorbeeld met de VNG, want lokale overheden hebben een waanzinnig grote rol bij jeugdbeleid. Onze idealen zijn te groot voor Jantje Beton alleen, daar hebben we meer maatschappelijke schouders voor nodig. 


Daarnaast wil ik zorgen voor blijere en gelukkigere kinderen. Dat is waarom ik ben overgestapt.
En als derde wil ik zorgen voor gelukkigere collega’s. Hen wil ik als werkgever goed ondersteunen: als mens en als professional. Daarom wil ik streven naar een maximale medewerkerstevredenheid en maximale ontwikkelingsmogelijkheden. Ook de vrijwilligers wil ik ondersteunen. Via de NUSO hebben we 11.000 vrijwilligers, via alle activiteiten van Jantje Beton zijn dat er misschien nog eens 100.000, volwassenen en kinderen. Die vrijwilligers, structureel of incidenteel, moeten ook op een bepaalde manier een geestelijk salaris krijgen uitgekeerd op een mentale bankrekening. Het kapitalisme is geen substituut voor de energetische overdracht van waardering van mens tot mens. Ik wil die waardering ook structureel gaan organiseren. Enerzijds door ze waar nodig opleidingen en cursussen aan te bieden, anderzijds door hen te laten merken dat we zien wat ze doen, dat het niet onopgemerkt is gebleven.”  


Dit artikel komt uit BuitenSpelen 02/2019. Lees meer van BuitenSpelen in onze bibliotheek

Deel dit artikel